VAK-leerstijlen: horen, zien, voelen en … vergeten!

23 Dec

Binnen het onderwijs hebben leerstijlen de afgelopen decennia heel wat aandacht gekregen. Er bestaan vele verschillende leerstijlenmodellen. Eén daarvan, het VAK-leerstijlenmodel, stelt dat mensen het best informatie opnemen, verwerken en onthouden wanneer die informatie wordt aangeboden op een manier die het best aansluit bij hun favoriete leerstijl, d.i. op een visuele, auditieve of kinesthetische manier. Iemand met een visuele leerstijl leert optimaal wanneer hem of haar visuele stimuli worden aangeboden zoals schema’s, tabellen enz. Heb je een auditieve leerstijl dan zal het best presteren wanneer de informatie op een gesproken manier wordt aangeboden, zoals tijdens een les of college. Heb je een kinesthetische leerstijl dan verkies je een leersituatie waarbij je fysiek aan de slag kunt met het lesmateriaal. Er zijn de afgelopen jaren ook heel wat instrumenten ontwikkeld om de leerstijl van mensen in kaart te brengen met als doel de manier van lesgeven te kunnen afstemmen op de individuele leerstijl van elke leerling waardoor hun leren kan worden geoptimaliseerd. Maar hoe waardevol zijn deze modellen en instrumenten?

Heel wat onderwijsexperts hebben al hun harde kritiek geuit op vele van deze modellen. In het filmpje ‘Learning styles don’t exist’ veegt Daniel Willingham, een Amerikaanse professor in de cognitieve psychologie, het VAK-leerstijlenmodel van tafel.  Ook in de studie “Learning styles and pedagogy in post-16 learning” van Coffield, Moseley and Hall worden heel wat leerstijlenmodellen gewikt en gewogen en te licht bevonden! Pedro De Bruyckere en Casper Hulshof kleven in ”Jongens zijn slimmer dan meisjes” het etiket ‘onderwijsmythe’ op dit leerstijlenmodel. Desondanks blijven heel wat mensen hieraan hardnekkig vasthouden. Dit merk ik ook wanneer dit onderwerp aan bod komt tijdens een presentatie of workshop. Vaak wordt er met verbazing of ongeloof op gereageerd. Heel wat mensen in de onderwijswereld lijken overtuigd van het bestaan of de educatieve waarde van het begrip ‘leerstijlen’. Dit bleek ook uit “(mis)opvattingen over leren”, een eigen bevraging bij 500 leerkrachten in Vlaanderen en Nederland.

Enkele maanden geleden ontdekte ik de boeiende studie “Perceptual Learning Style and Learning Proficiency: A Test of the Hypothesis” van Krätzig en Arbuthnott (2006). Hierin wordt nagegaan of het VAK-leerstijlenmodel in de praktijk overeind blijft. In dit onderzoek werd eerst aan 65 universiteitsstudenten gevraagd welke leerstijl hen, volgens hun eigen inschatting, het best omschreef. Vervolgens werd hun leerstijl in kaart gebracht aan de hand van de Barsch Learning Styles inventory (BLSI, 1991).

Nadat de voorkeursleerstijl werd bepaald, trachtten de onderzoekers aan de hand van drie gestandaardiseerde testen (Visueel: Rey-Osterrieth Complex Figure Test; Auditief: Babcock Story Recall test; kinesthetisch: de Tactual Performance Test) na te gaan, zoals het VAK-leerstijlenmodel veronderstelt, of de studenten ook tot betere geheugenprestaties kwamen wanneer hen informatie werd aangeboden op een manier die optimaal aansluit bij hun voorkeursleerstijl (visueel, auditief of kinesthetisch). Omdat uit onderzoek (Song & Stough, 2000) blijkt dat er individuele verschillen bestaan op vlak van cognitieve prestaties, afhankelijk van de persoonlijke voorkeur qua tijdstip waarop een geheugentest wordt afgenomen, werd de persoonlijke voorkeur van de studenten in kaart gebracht aan de hand van de “Morningness-Eveningness Questionnaire” (Horne & Östberg, 1976) en mee in overweging genomen.

Bij de eerste test kregen de studenten gedurende dertig seconden een abstracte figuur te zien die ze vervolgens onmiddellijk en nogmaals na 20 minuten zo goed mogelijk moesten trachten uit het hoofd na te tekenen. Hun auditief geheugen werd getest door hen een kortverhaal voor te lezen dat ze achteraf (onmiddellijk en opnieuw na 20 minuten) zo gedetailleerd mogelijk moesten trachten na te vertellen. In de derde test kregen ze geblinddoekt een bord met 10 geometrische vormen die ze zo vlug mogelijk op hun juiste plaats moesten leggen (één keer met elke hand en vervolgens met beide handen). Daarna werd hen gevraagd om het bord en de vormen zo goed mogelijk na te tekenen.

Wat bleek uit de resultaten?

  • Het was niet eenvoudig voor de proefpersonen om klaar en duidelijk hun voorkeursleerstijl te bepalen. Slechts bij 44% van de proefpersonen bleek hun eigen inschatting overeen te stemmen met het profiel dat uit de BLSI naar voren kwam. De reden hiervoor werd onderzocht in het tweede deel van de studie (zie hierna).
  • Bovendien werden er ook geen significante verbanden tussen de leerstijl en de geheugentesten vastgesteld, noch wanneer de BLSI of de eigen voorkeur in rekening werd genomen, noch bij de studenten waarbij het BLSI profiel wel overstemde met hun eigen inschatting, noch bij de deelnemers waarbij de testen op hun voorkeursmomenten werden afgenomen.
  • Hoewel via zelfrapportage en via de BLSI respectievelijk 40% en 60% van de proefpersonen aangaf over een visuele leerstijl te beschikken en slechts 16% en 8% een kinesthetische voorkeursstijl had, scoorde slechts 23% van alle proefpersonen het beste op de visuele test en 52% het beste op de derde (kinesthetische) test. Mensen blijken dus niet zo accuraat zijn in het voorspellen van factoren die hun geheugenprestaties beïnvloeden.

In het tweede deel van de studie werd nagegaan waarop de proefpersonen zich baseerden bij het bepalen van hun voorkeursleerstijl.  Bij elke vraag die ze tijdens de BLSI hadden beantwoord werd hen vervolgens gevraagd welke informatie ze hadden gebruikt om tot hun antwoord te komen. Om te bepalen hoe efficiënt je informatie op een bepaalde manier kunt leren, moet je logischerwijze in je geheugen nagaan hoe goed je hebt gepresteerd wanneer je informatie op die manier hebt verwerkt. Om bijvoorbeeld na te gaan of je beter bent in het opvolgen van mondelinge of schriftelijke instructies moet je situaties oproepen waarin je op beide manieren richtlijnen hebt gekregen om vervolgens te herinneren hoe goed je hebt gepresteerd in beide gevallen.

Het blijkt echter dat mensen de BLSI-vragen niet op deze manier beantwoorden. Hoe gaan ze dan wel te werk en op welke ‘bewijzen’ baseren ze dan hun antwoorden? De antwoorden van de proefpersonen bleken op te delen in vijf categorieën:

  • specifieke voorbeelden (‘in de les biologie …’);
  • algemene voorbeelden (‘soms op school gebruiken we grafieken…’);
  • voorkeuren (‘ik zie het graag op papier staan’);
  • overtuigingen(‘ik ben slecht in puzzels’);
  • gewoontes (‘ik doe dit nooit’)

De meeste proefpersonen blijken slechts zelden aan specifieke voorbeelden te denken bij het beantwoorden van de vragen (6,3%). Veel vaker vormden algemene herinneringen (26,7%), persoonlijke voorkeuren (27,9%), overtuigingen (28,3%) of gewoontes (10,8%) de basis van hun antwoorden. Wanneer er toch een specifiek voorbeeld werd vermeld als verantwoording bleef dit meestal tot slechts één en vaak heel recent of heel opvallend voorbeeld. Niemand van de proefpersonen riep verschillende voorbeelden op om vervolgens een oordeel te vellen op basis van de verschillende ervaringen. Bovendien bleken de meeste voorbeelden ook vooral betrekking te hebben op situaties waarin de proefpersoon op verschillende manieren met de leerstof in contact kwam en niet zozeer hoe goed ze vervolgens presteerden. Ook gaven de meesten aan dat hun leerprestaties in sterke mate (mogelijk meer dan door hun eigenlijke leerstijl) werden beïnvloed door contextuele factoren, zoals hoe interessant het materiaal was of het materiaal achteraf al dan niet beschikbaar was. Er werden ook heel wat antwoorden gegeven waarbij de proefpersonen verwezen naar verschillende modaliteiten, bijvoorbeeld luisteren en lezen, zeker wanneer de leerstof complexer was. De BLSI lijkt dus eerder informatie te bieden over de voorkeur en overtuigingen van de proefpersonen dan over hun eigenlijke optimale leeromstandigheden.

De eindconclusie?

Dit onderzoekt ondermijnt de veronderstelling dat iemand het beste informatie kan onthouden wanneer deze wordt aangeboden op een manier die aansluit bij zijn of haar favoriete leerstijl. Het lijkt er eerder op dat mensen in staat zijn om efficiënt te leren door gebruik te maken van alle modaliteiten en vaak ook een combinatie van de verschillende modaliteiten en strategieën aanwenden om effectief te leren (zeker wanneer de leerstof complexer is).

Wie als leerkracht zijn of haar manier van lesgeven afstemt op leerstijlen zal slechts een minimaal leereffect bereiken(zie o.a. J. Hattie). Jongeren zijn er meer bij gebaat wanneer je hen, ongeacht hun voorkeursstijl, de leerstof aanreikt op een concrete manier die aansluit bij hun leefwereld en voorkennis. De kans is groot dat je daarbij zowel visueel, auditief en kinesthetisch te werk gaat. Zo lijkt het mij heel onwaarschijnlijk dat een goeie leerkracht zijn/haar leerlingen de locatie van de landen op de wereldkaart zal aanleren door hen enkel te vertellen waar ze precies gesitueerd zijn of hen met een passer leert werken door gewoon een filmpje te tonen!

Bron:

Perceptual learning style and learning proficiency: A test of the hypothesis.

By Krätzig, Gregory P.; Arbuthnott, Katherine D.

Journal of Educational Psychology, Vol 98(1), Feb 2006, 238-246.

Abstract

Given the potential importance of using modality preference with instruction, the authors tested whether learning style preference correlated with memory performance in each of 3 sensory modalities: visual, auditory, and kinesthetic. In Study 1, participants completed objective measures of pictorial, auditory, and tactile learning and learning style self-assessments. The results indicate that objective test performance did not correlate with learning style preference. In Study 2, the authors examined in more detail the information participants used to answer the learning style self-assessment. The findings indicate that participants answered the inventory using general memories and beliefs rather than specific examples of learning in different modalities. These results challenge the hypothesis that individuals learn best with material presented in a particular sensory modality. (PsycINFO Database Record (c) 2012 APA, all rights reserved)

http://psycnet.apa.org/index.cfm?fa=buy.optionToBuy&id=2006-02666-020

Advertisements

5 Reacties to “VAK-leerstijlen: horen, zien, voelen en … vergeten!”

  1. Pedro 23 december 2013 bij 8:47 pm #

    Dit is op X, Y of Einstein? herblogden reageerde:
    Mooie aanvulling op ons boek “Jongens zijn slimmer dan meisjes”!

Trackbacks/Pingbacks

  1. Wensen, lijsten en goeie voornemens! | Leren.Hoe?Zo! - 30 december 2013

    […] VAK-leerstijlen: horen, zien, voelen en … vergeten! […]

  2. VAK-leerstijlen: horen, zien, voelen en &hellip... - 4 januari 2014

    […] Binnen het onderwijs hebben leerstijlen de afgelopen decennia heel wat aandacht gekregen. Er bestaan vele verschillende leerstijlenmodellen. Eén daarvan, het VAK-leerstijlenmodel, stelt dat mensen …  […]

  3. iBook ‘Onderwijs Herontwerp’ van ICTO Saxion | 2 BE JAMMED - 22 september 2015

    […] tenen bij de paragraaf over ‘leerstijlen’. Heel veel onderwijsexperts hebben zo hun bezwaren op de vele leerstijlenmodellen die bestaan. Pedro De Bruyckere en Casper Hulshof noemen het in hun boek “Jongens zijn […]

  4. Geen wetenschappelijk bewijs voor leerstijlen | 2 BE JAMMED - 15 maart 2016

    […] veel onderwijsexperts hebben zo hun bezwaren op de vele leerstijlenmodellen die bestaan. Ook Paul Kirschner en Jeroen van Merriënboer noemen leerstijlen een broodje aap. Zij […]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: