The Procrastination Scallop

16 Sep

Heel wat jongeren vertonen academisch uitstelgedrag. Ze stellen de voorbereiding voor een test aanvankelijk uit en gaan pas aan de slag wanneer de deadline voor het volgende examen of toets (heel) dichtbij komt. Daardoor zijn ze vaak verplicht om op het laatste nippertje bergen werk te verzetten en lange ‘bloksessies’ in te lassen. Dit fenomeen wordt ook wel eens omschreven als de ‘Procrastination Scallop’ (Michael, J.L., 1993). Vaak scoren jongeren die alles op het laatste nippertje moeten verwerken minder goed dan diegenen die er tijdig aan beginnen en hun leerperiodes spreiden over een langere periode.  De grote vraag is echter: Hoe krijg je jongeren zover dat ze er tijdig aan beginnen?

scallop

Uit een onderzoek van Mawhinney et al (1971) waarbij het studeergedrag van studenten aan de Southern Illinois University onder de loep werd genomen, bleek dat de regelmaat en duur waarmee ze aan de slag gingen sterk werd bepaald door de regelmaat waarop ze werden getoetst, d.i. dagelijks, wekelijks of driewekelijks.

In dit experiment (dat uit twee fasen bestond) werd aan de studenten gevraagd om gedurende enkele weken op vrijwillige basis te studeren in een ruimte op hun campus die daarvoor speciaal werd opgezet en die vrij toegankelijk was van maandagnamiddag tot donderdagnamiddag, telkens van 15u tot 18u. Het studiemateriaal dat de jongeren moesten doornemen werd hun enkel in deze ruimte beschikbaar gesteld en mocht niet naar huis worden meegenomen.   De onderzoekers registreerden vanachter een ondoorzichtbaar raam of de studenten kwamen opdagen en hoe lang ze aan een tafel bleven zitten. Afhankelijk van de fase in het experiment werd het tijdsinterval waarop de jongeren werden getoetst aangepast:

  • Gedurende de eerste drie weken van het experiment werden de opdrachten dagelijks aangeboden, waarbij er de volgende dag een test werd afgenomen.
  • In week vier en vijf werd alle materiaal elke dag van de week beschikbaar gesteld en volgde er een test op vrijdag.
  • In week zes werden de testen opnieuw dagelijks afgenomen maar alle materiaal werd reeds bij aanvang van de week aangeboden.
  • In week zeven en acht werd opnieuw het wekelijkse testschema (zie week vier en vijf) toegepast.
  • In de laatste week werden de studenten opnieuw dagelijks getest waarbij alle materiaal voor die week reeds op maandag beschikbaar was.

Uit de observatie bleek dat het interval waarmee er testen werden afgenomen een duidelijke invloed had op het verschil in studieduur tussen de verschillende sessies. Wanneer er dagelijks werd getoetst, vertoonden de meeste studenten een regelmatig studiepatroon (elke sessie duurde ongeveer een uur). Bovendien was iedereen dagelijks aanwezig om te studeren. Van zodra de testen wekelijks werden afgenomen, bleven sommigen in het begin van de week weg. Ze trachtten dit te compenseren door langere ‘bloksessies’ in te lassen naarmate de week vorderde. Gemiddeld genomen studeerden de jongeren ook iets meer wanneer ze dagelijks werden getoetst dan wanneer dit slechts wekelijks was.

In een tweede experiment (12 studenten) werd nagegaan of een interval waarbij studenten slechts om de drie weken (zoals vaak in klassituaties van toepassing is) worden getoetst tot een ander studiegedrag zou leiden dan in een dagelijkse testsituatie. Ook hier werd er gedurende een periode van 10 weken gewerkt met een afwisselend testschema:

  • Gedurende week één en twee werden de studenten dagelijks getest;
  • Vervolgens werd een test ingelast na drie weken waarbij alle materiaal beschikbaar was vanaf het begin van de derde week;
  • In week zes en zeven werden de studenten opnieuw dagelijks getest;
  • De laatste drie weken werd opnieuw het driewekelijkse patroon ingevoerd.

Wanneer er dagelijks werd getest, vertoonden de jogneren hetzelfde studeerdgedrag als in het eerste deel van het experiment. Wanneer de test echter slechts na drie weken werd afgenomen, zorgde dit voor een grote variatie in de totale studieduur van de verschillende sessies (gaande van 20 minuten tot 115 minuten). Bovendien was er geen enkele student meer die op elke sessies aanwezig was! Opnieuw vertoonden de meesten hier het klassieke uitstelgedrag in minstens één of beide weken van de drie wekelijkse intervals.

studybehavior

Deze resultaten van dit onderzoek liggen ook in de lijn van eerdere onderzoeken (Ferster, 1968; Lloyd and Knutzen, 1969). Dus hoewel de meeste docenten in het onderwijs de leerstof vaak pas na langere tijdsintervallen toetsen, blijkt dit vaak een negatief effect te  hebben op het studeergedrag van jongeren. Hierdoor vertonen ze meer uitstelgedrag wat meestal resulteert in slechtere resultaten. Wanneer jongeren dagelijks worden getoetst, vertonen ze een regelmatig studeergedrag.

Bron: A comparison of students studying-behavior produced by daily, weekly, and three-week testing schedules – V. T. Mawhinney, D. E. Bostow, D. R. Laws, G. J. Blumenfeld, and B. L. Hopkins, Journal of Applied Behavior Analysis. 1971 Winter; 4(4): 257–264, doi: 10.1901/jaba.1971.4-257

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: